Bon. Dat was dus goed drie weken geleden. Ik zat daar grondig fout, moet ik ondertussen bekennen. De Tour is meer afzien, sneller rijden, meer stress, aanvallen van overal én vooral: een horde journalisten die alles met een vergrootglas bekijkt. Als je in een andere koers vooruit rijdt, wordt er de volgende dag met wat geluk één zinnetje over jou geschreven: Goed geprobeerd. In de Tour word je direct uitgeroepen tot nationale held of het scheelt niet veel.
Doordat het allemaal zoveel grootser is, is de Champs-Elysées ook zo'n mythische plek. Parijs zien is een erezaak, zeker in je eerste Tour. Want het is lang niet vanzelfsprekend dat je met twee benen en één hoofd zo'n tocht tot een goed einde brengt. Dat voel je als je die Champs-Elysées opdraait: je bent moe, kapot, die fiets een beetje zat. Maar ook voldaan en trots, want je weet dat het fysiek een straffe prestatie is.
Niet de strafste in mijn carrière, neen. Dat was die puntentrui in de Ronde van Spanje van vorig jaar, omdat daar toch een ritzege en een trofee aan vast hing. Maar toch: dit moment op de Champs-Elysées zal ik me nog lang herinneren. Want wie Parijs ziet, mag zich echt coureur noemen.




