Bij de laatste voorbereidingen die ik trof om naar Kaboel te gaan, waren een paar zaken waar ik liefst niet te lang wilde bij stilstaan. Ik liet in Islamabad mijn volgeschoten filmrolletjes achter bij Axelle Vandoornick van Artsen Zonder Grenzen en gaf haar ook een diskette met alles wat ik tijdens deze reis al had geschreven.
,,Je weet maar nooit…’’ zei ik en besefte dat het pathetisch klonk, maar ik voelde ook aan dat er over de westgrens met Pakistan een land lag waar het toeval een grotere rol zou spelen dan in alle andere landen die ik tijdens deze reis had bezocht: het toeval om op het verkeerde moment op de verkeerde plaats te zijn.
De volgende twee dagen besteedde ik aan het over en weer rijden naar de Afghaanse ambassade, waar mijn visum werd geproduceerd. Na het afdokken van 30 dollar werd mij uiteindelijk de toegang tot het land vergund via een fraai visum, waarop zelfs een elektronische pasfoto was ingebracht. Er viel nu geen tijd meer te verliezen. Nauwelijks een uur later sommeerde ik een taxi en reed naar het busstation waar ik een ticket voor de volgende bus naar Pesjawar kocht. De reis naar Kaboel was begonnen.
Vanaf het moment dat ik het besluit had genomen om te gaan, hoorde ik twee stemmen tussen mijn oren. De ene was een stem die elke individuele reiziger wel kent. Ze zei: ga niet! Breng je geschrijf over je reizen naar de vorige elf landen niet in gevaar door er nog één verhaal te willen aan toevoegen. Alleen reizen in dat land is gevaarlijk. Ze zullen denken dat je een Amerikaan bent. Ze zullen je ontmaskeren als een heidense libertijn. Ze zullen met plezier je strot afsnijden. Je zal op een mijn lopen. Het is genoeg geweest. Ga naar huis.
Maar er was een andere stem. Die fluisterde: Herat. Mazar-i-Sjarif. De Pantsjirvallei. De Hindoe Koesh. Faizabad. Balkh. De gedynamiteerde boeddha’s van Bamian. Blauwogige afstammelingen van Alexander de Grote. Roxanne. Verloren Griekse steden. Ga nu! Vóór het land opnieuw in brand vliegt. Vóór je een ouwe sok bent, die niet eens z’n eigen rugzak meer kan dragen. Ga vóór de angst de nieuwsgierigheid overwint, vóór de eerste stem de tweede overschreeuwt.
Tsjonge, wat gaf ik graag gehoor aan die tweede stem. Ik was nog maar amper vanuit de bergen terug in Islamabad, of ik begon al vervoer te regelen naar Pesjawar, de beruchte, half wetteloze stad aan de grens met Afghanistan, aan de voet van de roemruchte Khyberpas. Daarna ging ik naar de Belgische ambassade, waar ik op zeer voorkomende wijze werd ontvangen door de eerste secretaris, Christophe Payot, die vertelde dat de ambassadeur net vertrokken was, omdat zijn ambtstermijn erop zat, maar dat hij de consul zou vragen een aanbevelingsbrief voor me te schrijven, wat de visumaanvraag bij de Afghaanse ambassade natuurlijk een voorkeursbehandeling zou geven. Hij gaf me ook het telefoonnummer van de Belgische zaakgelastigde in Kaboel, een man die me beslist informatie over de veiligheid van reizen in Afghanistan zou kunnen bezorgen. ,,Ik raad U wel aan niet over land naar Kaboel te reizen’’, zei Payot. ,,Neem het vliegtuig.’’
Vervolgens begon ik onder het personeel van AZG mensen te zoeken met terreinervaring in Afghanistan. Dankzij Krist Teirlinck, de man die mij in Armenië al had geholpen bij het uitstippelen van mijn reis, verscheen er in mijn mailbox plotseling een lijst van telefoonnummers van lieden die allemaal voor AZG hadden gewerkt, tot op het fatale moment in juni 2004, wanneer tussen Herat en Mazar-i-Sharif vijf AZG-medewerkers –een Belgische en een Noorse dokter en drie Afghaanse stafleden- werden doodgeschoten. Sindsdien was AZG niet meer terug naar Afghanistan gegaan.
Din Mohammed was een Afghaan die nog altíjd voor AZG werkte. Ik ontmoette hem in Bagh. Samen hadden we ons een avond lang over de kaart gebogen en na afloop beloofde Din me: ,,Ik zal je in contact brengen met een vriend van me in Kaboel. Hij zal je helpen.’’ Hij wees daarop een aantal veilige en hoogst onveilige routes aan en bezwoer me: ,,Ga alsjeblieft niet via de weg van Kaboel naar Herat. Vijftig kilometer buiten Kaboel heeft de regering niks meer te vertellen. Het stikt er van de taliban en van Al Qaeda strijders. Elke dag vallen ze konvooien aan en vermoorden mensen.’’
,,Is de Khyberpas veilig?’’, vroeg ik.
,,De pas wel’’, grinnikte Din. ,,Maar halverwege de route naar Kaboel, in Jalalabad, én bij het binnenrijden van Kaboel moet je opletten. Aan de grens stap je bij voorkeur op een bus. Het is beter met veel mensen te reizen dan met een paar.’’
Er was geen land op de wereld waarnaar ik meer verlangde om er naartoe te gaan dan Afghanistan. Dat was altijd zo geweest. Alexander de Grote, Djenghiz Khan, Marco Polo, Timoer De Lamme, Baboer,… allemaal waren ze hier gepasseerd. Ik zou me dus in goed historisch gezelschap bevinden. Maar er was meer dan antieke geschiedenis dat me in Afghanistan fascineerde. Sinds de hippiejaren had ik niemand –maar dan ook niemand- nog iets goeds over het land horen vertellen. Moedjahedien! Taliban! Oorlog tegen de Russen! Oorlog tegen de Amerikanen! Opium! Heroïnehandel! Kalashnikov’s! Jihad! Osama Bin Laden! Tora Bora! Mullah Omar! Vrouwenonderdrukking! Executies! Religieuze politie! Sharia! Al Qaeda! Fatwa! KaBOEM!...
Al die uitroeptekens maakten alleen maar dat ik er nog liever naartoe wilde. Tweemaal was ik er dichtbij geweest en was ik effectief plannen beginnen maken, maar tweemaal had een open oorlog roet in het eten gestrooid. De eerste maal was toen de Amerikanen na 11 september 2001 de rekening opmaakten en de luchtmacht naar het berggebied tussen Afghanistan en Pakistan stuurden. Het leek me geen goed idee om daar op hetzelfde moment als de Amerikanen aan te komen.
Een tweede gelegenheid deed zich voor toen de taliban door het VS-leger het land waren uitgeschopt. De tijdelijke luwte die intreedt na het einde van een oorlog, is altijd een goede tijd om een land te bereizen. In die periode stelde ik een grandioos plan op: ik zou met het openbaar vervoer van Bagdad naar Kaboel reizen. Maar ik treuzelde te lang en voor ik het wist zat het er aan de andere kant van de as Kaboel-Bagdad zwaar tegen, toen de oorlog in Irak opeens toch nog niet voorbij bleek en er burgeroorlog in het voormalige rijk van Sadam-de-Verschrikkelijke uitbrak. Ook geen gezellige tijd om door de woestijn van Irak te liften, zo moest ik toegeven.
Van één ding was ik daarna zeker: zodra zich ook maar de helft van een derde kans aandiende om naar Afghanistan te gaan, zou ik toehappen. En die kans leek nu gekomen. Mijn missie in Pakistan zat erop, Afghanistan was vlakbij en wenkte.
Laatste reacties