Vanaf het moment dat ik het besluit had genomen om te gaan, hoorde ik twee stemmen tussen mijn oren. De ene was een stem die elke individuele reiziger wel kent. Ze zei: ga niet! Breng je geschrijf over je reizen naar de vorige elf landen niet in gevaar door er nog één verhaal te willen aan toevoegen. Alleen reizen in dat land is gevaarlijk. Ze zullen denken dat je een Amerikaan bent. Ze zullen je ontmaskeren als een heidense libertijn. Ze zullen met plezier je strot afsnijden. Je zal op een mijn lopen. Het is genoeg geweest. Ga naar huis.
Maar er was een andere stem. Die fluisterde: Herat. Mazar-i-Sjarif. De Pantsjirvallei. De Hindoe Koesh. Faizabad. Balkh. De gedynamiteerde boeddha’s van Bamian. Blauwogige afstammelingen van Alexander de Grote. Roxanne. Verloren Griekse steden. Ga nu! Vóór het land opnieuw in brand vliegt. Vóór je een ouwe sok bent, die niet eens z’n eigen rugzak meer kan dragen. Ga vóór de angst de nieuwsgierigheid overwint, vóór de eerste stem de tweede overschreeuwt.
Tsjonge, wat gaf ik graag gehoor aan die tweede stem. Ik was nog maar amper vanuit de bergen terug in Islamabad, of ik begon al vervoer te regelen naar Pesjawar, de beruchte, half wetteloze stad aan de grens met Afghanistan, aan de voet van de roemruchte Khyberpas. Daarna ging ik naar de Belgische ambassade, waar ik op zeer voorkomende wijze werd ontvangen door de eerste secretaris, Christophe Payot, die vertelde dat de ambassadeur net vertrokken was, omdat zijn ambtstermijn erop zat, maar dat hij de consul zou vragen een aanbevelingsbrief voor me te schrijven, wat de visumaanvraag bij de Afghaanse ambassade natuurlijk een voorkeursbehandeling zou geven. Hij gaf me ook het telefoonnummer van de Belgische zaakgelastigde in Kaboel, een man die me beslist informatie over de veiligheid van reizen in Afghanistan zou kunnen bezorgen. ,,Ik raad U wel aan niet over land naar Kaboel te reizen’’, zei Payot. ,,Neem het vliegtuig.’’
Vervolgens begon ik onder het personeel van AZG mensen te zoeken met terreinervaring in Afghanistan. Dankzij Krist Teirlinck, de man die mij in Armenië al had geholpen bij het uitstippelen van mijn reis, verscheen er in mijn mailbox plotseling een lijst van telefoonnummers van lieden die allemaal voor AZG hadden gewerkt, tot op het fatale moment in juni 2004, wanneer tussen Herat en Mazar-i-Sharif vijf AZG-medewerkers –een Belgische en een Noorse dokter en drie Afghaanse stafleden- werden doodgeschoten. Sindsdien was AZG niet meer terug naar Afghanistan gegaan.
Din Mohammed was een Afghaan die nog altíjd voor AZG werkte. Ik ontmoette hem in Bagh. Samen hadden we ons een avond lang over de kaart gebogen en na afloop beloofde Din me: ,,Ik zal je in contact brengen met een vriend van me in Kaboel. Hij zal je helpen.’’ Hij wees daarop een aantal veilige en hoogst onveilige routes aan en bezwoer me: ,,Ga alsjeblieft niet via de weg van Kaboel naar Herat. Vijftig kilometer buiten Kaboel heeft de regering niks meer te vertellen. Het stikt er van de taliban en van Al Qaeda strijders. Elke dag vallen ze konvooien aan en vermoorden mensen.’’
,,Is de Khyberpas veilig?’’, vroeg ik.
,,De pas wel’’, grinnikte Din. ,,Maar halverwege de route naar Kaboel, in Jalalabad, én bij het binnenrijden van Kaboel moet je opletten. Aan de grens stap je bij voorkeur op een bus. Het is beter met veel mensen te reizen dan met een paar.’’
Maar er was een andere stem. Die fluisterde: Herat. Mazar-i-Sjarif. De Pantsjirvallei. De Hindoe Koesh. Faizabad. Balkh. De gedynamiteerde boeddha’s van Bamian. Blauwogige afstammelingen van Alexander de Grote. Roxanne. Verloren Griekse steden. Ga nu! Vóór het land opnieuw in brand vliegt. Vóór je een ouwe sok bent, die niet eens z’n eigen rugzak meer kan dragen. Ga vóór de angst de nieuwsgierigheid overwint, vóór de eerste stem de tweede overschreeuwt.
Tsjonge, wat gaf ik graag gehoor aan die tweede stem. Ik was nog maar amper vanuit de bergen terug in Islamabad, of ik begon al vervoer te regelen naar Pesjawar, de beruchte, half wetteloze stad aan de grens met Afghanistan, aan de voet van de roemruchte Khyberpas. Daarna ging ik naar de Belgische ambassade, waar ik op zeer voorkomende wijze werd ontvangen door de eerste secretaris, Christophe Payot, die vertelde dat de ambassadeur net vertrokken was, omdat zijn ambtstermijn erop zat, maar dat hij de consul zou vragen een aanbevelingsbrief voor me te schrijven, wat de visumaanvraag bij de Afghaanse ambassade natuurlijk een voorkeursbehandeling zou geven. Hij gaf me ook het telefoonnummer van de Belgische zaakgelastigde in Kaboel, een man die me beslist informatie over de veiligheid van reizen in Afghanistan zou kunnen bezorgen. ,,Ik raad U wel aan niet over land naar Kaboel te reizen’’, zei Payot. ,,Neem het vliegtuig.’’
Vervolgens begon ik onder het personeel van AZG mensen te zoeken met terreinervaring in Afghanistan. Dankzij Krist Teirlinck, de man die mij in Armenië al had geholpen bij het uitstippelen van mijn reis, verscheen er in mijn mailbox plotseling een lijst van telefoonnummers van lieden die allemaal voor AZG hadden gewerkt, tot op het fatale moment in juni 2004, wanneer tussen Herat en Mazar-i-Sharif vijf AZG-medewerkers –een Belgische en een Noorse dokter en drie Afghaanse stafleden- werden doodgeschoten. Sindsdien was AZG niet meer terug naar Afghanistan gegaan.
Din Mohammed was een Afghaan die nog altíjd voor AZG werkte. Ik ontmoette hem in Bagh. Samen hadden we ons een avond lang over de kaart gebogen en na afloop beloofde Din me: ,,Ik zal je in contact brengen met een vriend van me in Kaboel. Hij zal je helpen.’’ Hij wees daarop een aantal veilige en hoogst onveilige routes aan en bezwoer me: ,,Ga alsjeblieft niet via de weg van Kaboel naar Herat. Vijftig kilometer buiten Kaboel heeft de regering niks meer te vertellen. Het stikt er van de taliban en van Al Qaeda strijders. Elke dag vallen ze konvooien aan en vermoorden mensen.’’
,,Is de Khyberpas veilig?’’, vroeg ik.
,,De pas wel’’, grinnikte Din. ,,Maar halverwege de route naar Kaboel, in Jalalabad, én bij het binnenrijden van Kaboel moet je opletten. Aan de grens stap je bij voorkeur op een bus. Het is beter met veel mensen te reizen dan met een paar.’’

Reacties