Hans Vandeweghe

Anderlecht

Hans Vandeweghe | 24 april 2010 om 17:54
Het is te mooi om niet af en toe eens te schrijven: Ariël was een aartsengel met een magische paarse straal die alles kon oplossen.

Het is ook te mooi om waar te zijn: Ariël (Jacobs) is, omdat zijn vader en grootvader fans waren van motorcross, genoemd naar het merk dat toen marktleider was onder de motorfietsen.

Magie is dus niet de oorzaak van de titel, maar wat is dan perceptie en wat is de werkelijkheid aan de titel van RSC Anderlecht? Titel nummer dertig, dat is de enige echte realiteit. De perceptie is al het andere en Ariël Jacobs is geen engel en geen tovenaar. Misschien vraagt hij zich wel af wat hij anders heeft gedaan dan vorig seizoen en waar hij die titel met de vingers in de neusgaten heeft verdiend.

In deze en andere kranten stonden honderd en één redenen waarom Anderlecht kampioen is geworden. Mbark Boussoufa die er vrede mee heeft genomen dat hij bij Anderlecht goed verdient en wellicht zal blijven omdat hij fysiek net iets te licht uitvalt voor de Europese top. Lukaku die is doorgebroken, onverwacht vroeg en vooral onverwacht sterk en die zeer goed is gemanaged.

David Steegen die is aangesteld als hoofd van de communicatie, niet zo onbelangrijk als het wel lijkt, want de duiventil van het Astridpark werd voor de pers een gesloten opvangcentrum met heel veel regeltjes. Slim, vanuit Anderlecht bekeken.

Het uitvallen van Polak, dat de weg vrijmaakte voor de doorbraak van Biglia. Niemand die het uitvallen van Wasilewski als een etappe op weg naar de titel zag, begrijpelijk, maar mogen we er toch nog eens over nadenken? De voormalige vliegenvanger Proto die nu achttien keer zijn doel ongeschonden hield. Jonge spelers die net op tijd zijn doorgebroken: Cheikhou Kouyaté en Ondrej Mazuch. De verdediging die een hele tijd in de vaste bezetting speelde.

Neen, Frutos en zijn medicijnman uit de pampas heeft niemand vermeld en dat is maar goed ook. Wat een onzin hebben we daar niet moeten over lezen.

Emotionele intelligentie

Zonder zijn naam te noemen, werd ook de toevoeging van kinesist Jochen De Coene aan de medische staff een plus genoemd. Ik heb De Coene ooit aan het werk gezien in Sjanghai. Niet alles wat ver is, is daarom ook goed, maar zoals die in China met beperking en tegenwerking omging, geen betere leerschool voor een Belgische krabbenmand.

Ook een mooie: de 99 wissels die Ariël Jacobs doorvoerde en dat zou het meeste zijn van alle eersteklassers. Wat ons weer bij de trainer brengt. Zijn manager Herman Van Holsbeeck roemde hem om zijn tactische sterkte, maar ook zijn emotionele intelligentie.

Gebruik van het concept intelligentie in verband met sport en dan nog met voetbal ligt zo al niet voor de hand, maar emotionele intelligentie is helemaal ontontgonnen terrein. Dit is een mijlpaal in de sportjournalistiek in dit land.

Ik heb ze achter mij staan in mijn bibliotheek: Emotional Intelligence At Work, door Hendrie Weisinger, Ph.D. Ik ben gekomen tot pagina 37 (van de 217). Ander interessant werk: Flow, de psychologie van de optimale ervaring van Mihaliy Csikszentmihalyi, de bladwijzer zit op pagina 73 van de 384. Bijlezen is de opdracht, anders snap ik straks zelfs het voetbal niet meer.

Zou Jacobs weten wat hij precies heeft gedaan om deze ploeg in de flow te krijgen? Teamprocessen zijn haast ongrijpbaar. Een ploeg die verondersteld wordt kampioen te spelen, kan degraderen, puur omdat het team niet functioneert (het omgekeerde gebeurt nooit).

Ten slotte: Anderlecht kampioen is normaal. Het tegendeel is abnormaal. Het had met zijn centrale ligging in de Europese hoofdstad en zijn verleden al jaren een onoverkomelijke voorsprong kunnen opbouwen tegenover de provinciale concurrentie. Antropologen hebben daar een moeilijk begrip voor: milieuafhankelijke diversificatie, als verklaring waarom het ene continent veel meer welvaart voortbrengt dan de andere.

Is Anderlecht nu op weg om zijn natuurlijk voordeel om te zetten in een jarenlange dominantie? Zou kunnen, maar ook niet, want er is één corrigerende wet die ons voetbal spannend blijft houden: een team dat te dominant wordt in een regio, zal door nog rijkere clubs uit nog rijkere regio's helemaal worden ontmanteld en kan van voren af aan herbeginnen.
Hans Vandeweghe

Talent

Hans Vandeweghe | 19 april 2010 om 10:24
Onze topclubs in het voetbal behoren tot de jongste van Europa, las ik onlangs nog in deze krant. Geen reden om daar aan te twijfelen, maar moeten we daar nu blij om zijn of juist niet? En nog: wat kopen we voor al dat jong geweld en verkijken we ons niet op het concept 'jong' en 'jeugd' en 'talent'?

Als hoofdbeul van wijlen sportminister Bert Anciaux ben ik ooit eens naar het Vlaams Parlement gesommeerd om daar in de commissie sport mijn zegje te doen over onze sportpolitiek. Anciaux was daar uiteraard ook, samen met zijn topsportmanager Ivo Van Aken. Hun mantra was toen dat we jeugdig talent moesten opsporen, want dat hadden we niet en erger nog, de sportbonden hadden geen detectieprogramma én het moest allemaal anders én er werden piramides getekend én ontwikkelingslijnen uitgezet.

Ik heb gezegd dat de statistieken iets anders aantoonden, dat er meer aan de hand was dan 'we hebben geen jeugd' en illustreerde dat met een tabelletje van de medailles die ons land had gewonnen op de European Youth Olympic Festival (EYOF). Vanaf 1995 was EYOF met Europa in de nieuwe samenstelling een erg goede waardemeter.

In het laatste decennium van de vorige eeuw had België 44 medailles gewonnen in vijf edities van EYOF. Nederland had er 57 gewonnen. De Belgische jeugd hield dus meer dan gelijke tred met Nederland dat 60 procent meer inwoners telt.

In de 21ste eeuw hebben we alweer vijf EYOF's achter de rug en in die edities is de stand België-Nederland 56-54. De Belgische jeugd presteert nu structureel beter dan de Nederlandse jeugd. Op de laatste twee EYOF's heeft België zelfs dertien keer goud gewonnen en Nederland maar vijf keer.

Zijn we dan goed bezig? Neen, we zijn niet goed bezig. We hadden en we hebben talent, we weten alleen niet wat we ermee moeten aanvangen of we verknoeien het in een prille fase. De eerste generatie toppers van onze EYOF-ploegen hadden ons inmiddels met wat senioresgoud moeten gelukkig maken en dat hebben ze nagelaten. Ze zijn verdwenen, niet doorgebroken, uitgestapt, ziek, zwak of misselijk: vul zelf maar in.

Het is met jeugdresultaten zoals met de beurs: in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. Vooral niet zoals wij met onze talenten omgaan: er is jeugd, er is goeie jeugd, maar we ontwikkelen verkeerd.

Dat is geen nieuwe vaststelling. Verlichte geesten in het voetbal stellen al langer vast dat de Belgische jeugd makkelijk gelijke tred hield met Nederland waarna ze bij de seniors geen bal meer goed raakten.

Recentelijk zat ik met twee opleiders uit de topsport aan tafel. De ene opleider zit bij de vrouwen, de andere bij de mannen. De ene in het voetbal, de andere in het volleybal. Los van elkaar hielden ze hetzelfde verhaal. De voetbalopleider, die actief is bij een hele grote club in dit land en die werkt met de grootste talenten van die club, zei: 'Officieel moeten we niet winnen, maar als ik durf gelijk te spelen, mag ik het komen uitleggen. Mijn spelers worden opgesteld in functie van de ploeg en de einduitslag en niet in functie van hun talentontwikkeling.'

Ook bij de volleybalvrouwen onder achttien die vorig jaar Europees kampioen werden en derde van de wereld, werd de talentontwikkeling van enkele speelsters ondergeschikt gemaakt aan het resultaat. Er werd bovendien heel (te?) hard getraind, met nu al carrièrebedreigende blessures als gevolg. De beste speelster van die ploeg is onlangs door haar knie gegaan. Ten slotte zag ik de vader van een talentje uit een topsportschool: dertien jaar was zijn dochter. Haar linkerschouder stond zeven centimeter lager dan haar rechter, gevolg van te eenzijdig en te specifiek trainen. Ik bespaar u de sport, maar de praktijken daar kennende, verbaast dat spieronevenwicht niet. Haar trainers verdienen ontslag of minimaal heropvoeding. De reden dat onze jeugd goed presteert en in sommige sporten beter dan de Nederlandse, is simpel: in de opleiding focussen wij op direct resultaat en niet op het maximaliseren van de potentie of de ontwikkeling van talent tot topsporter. De rekening van die foute keuze krijgen we al jaren bij de senioren gepresenteerd. Het wielrennen weet daar inmiddels ook van mee te spreken.
Hans Vandeweghe

Poulidor

Hans Vandeweghe | 10 april 2010 om 19:01
De tornado lijkt tijdelijk herleid tot een flinke storm. Tom Boonen is in enkele maanden en op een zucht van zijn dertigste verjaardag meer de Poulidor van de Lage Landen dan de nieuwe Leeuw van Vlaanderen. (Voor de jonge lezertjes: Raymond Poulidor was een zeer verdienstelijk Frans renner die meestal tweede werd.)

In Parijs-Tours werd Tom Boonen verschalkt door Philippe Gilbert en ook in Harelbeke werd hij te grazen genomen, maar dan door Fabian Cancellara. Foutjes, zeggen ze in zijn ploeg. Dat kan wel kloppen, maar wanneer begaat een sportman foutjes? Meestal als hij niet meer klaar kan denken en het zwart voor zijn ogen ziet.

Zou er meer aan de hand kunnen zijn dan brute pech? In Milaan-Sanremo was Oscar Freire veel te sterk en wat Cancellara hem aandeed van de Muur tot de Bosberg – per honderd meter vijftig meter voorsprong nemen – was al bij al een vernedering. Er zit voorlopig voor Boonen maar één positieve kant aan die tweede plaatsen: als straks de terrasjes buiten staan in Mol en omstreken heeft hij geen enkele objectieve reden om de aap uit te hangen. Patrick Lefevere blijft misschien op zijn zegehonger zitten, zijn lente wordt alvast rustig.

Tenzij, tenzij, tenzij... de Tornado in Tom aanwakkert en hij morgen vanaf het Bos van Wallers zijn duivels ontbindt en voor de derde keer op rij Parijs-Roubaix wint en Roger De Vlaeminck evenaart. Dan is Roger De Vlaeminck ongelukkig maar ik heb die mens – die ik vooral ken van de tv - nog nooit gelukkig gezien. (In De Flandriens speelde hij onlangs wel heel verdienstelijk de rol van Rogeetje-de Leugenaar.)

Goed, gesteld dat Boonen nog tien keer Parijs-Roubaix wint, die wedstrijd is niet de norm en kan bezwaarlijk als de maat der dingen in het wielrennen gelden. Zelfs Lefevere vindt het de klassieker die het makkelijkst kan worden gedomineerd. Omdat het terrein en de inspanning zo specifiek zijn en omdat er zo weinig renners starten om te winnen. Twintig denken te kunnen winnen, volgens Lefevere, tien hebben echt een kans en halfweg de koers zijn ze nog met vijf.

Zoals Afrikanen meesters zijn in het voetballen in lang gras of op het zand en Brazilianen op het strand, zijn wij meesters in het fietsen op wegen die daar niet voor geschikt zijn. Het is een raadsel wat Jean Stablinski (jonge lezers: de Nordist Stablinski was een tijdsgenoot van Poulidor) destijds bezielde om de organisatoren van 'Roubaix' toen ze op zoek waren naar kasseien, het Bos van Wallers te tonen. Die hele wedstrijd is sindsdien een museumstuk en niet-representatief voor de moderne wielersport.

Natuurlijk zijn winnaars op kasseien nooit kleine coureurs en Boonen is dat ook niet, maar van alle grote namen die Parijs-Roubaix ooit domineerden, heeft hij wel het minst vette palmares. Boonen heeft één grote wedstrijd gewonnen die niet op kasseien werd gereden en dat was het WK in Madrid. Overigens: in WK-parcoursen mogen geen kasseien liggen, zegt dat niet alles over die kasseien die wij in Vlaanderen zo verheerlijken?

Lefevere geeft in het interview vandaag in deze krant halvelings toe dat zijn kopman in zijn ontwikkeling misschien te eenzijdig werd georiënteerd. Te Vlaams, te veel belang gehecht aan de Ronde van Vlaanderen (twee keer gewonnen) en Parijs-Roubaix (drie keer), te veel gericht op de sprint. Wellicht heeft Tom Boonen dat ook beseft en wil hij zich in de herfst van zijn carrière alsnog ombouwen tot een allrounder.

Onder de motorkap zit goed gerief - een zescilinder turbo – en de carrosserie is nog gaaf. Boonen heeft bewezen dat hij een korte tijdrit aankan en heeft bewezen dat hij een lange tijdrit aankan. Hij heeft klassiekers gewonnen in de sprint en helemaal alleen. Van de winter is hij kilo's kwijtgespeeld en daar lijkt hij in eerste instantie ook wat vermogen bij ingeschoten. Geen erg en vooral geen paniek: blijven trainen en volgend jaar misschien andere accenten leggen. Als Philippe Gilbert de Ronde van Lombardije kan winnen, dan moet Tom Boonen dat ook kunnen. Hetzelfde geldt voor Luik-Bastenaken-Luik. 'Lombardije' en 'Luik' zijn wél de maat der dingen in de wondere wereld van het wielrennen, méér dan 'De Ronde' en véél meer dan 'De Hel'.
Hans Vandeweghe

Terroristen

Hans Vandeweghe | 03 april 2010 om 17:47
De klaarblijkelijk rotslechte voorlopige resultaten van de Vlaamse wielrenners zouden het item van de week moeten zijn, maar dit vak gaat kapot aan te snelle conclusies. Daarom iets anders.

Laatst tijdens een vredig tochtje haastte een net ingehaalde man op een mountainbike zich naar mijn wiel en kwam – éénmaal terug op adem - naast mij rijden. We reden 35, met een rotvaart langs een vaart, gelukkig helemaal alleen.

Maar de man zat boven zijn theewater en wilde niet afgeven. Hem restte niks anders dan vol mee te gaan tot elk kruispunt, daar met doodsverachting de weg op te rijden, hopend op geen kruisend verkeer. Dat ging één keer goed, ook een tweede keer, maar de derde keer ging het fout. Ik kende dat kruispunt en ik wist dat van achter de haag verkeer kon komen. De man wist dat ook, maar hij was het haantje van de dag en stormde weer op het kruispunt af. Van links kwam deze keer een Chrysler met een mevrouw aan het stuur, maar wij hadden geen voorrang want we reden op een jaagpad. Zij reed misschien veertig, hij dertig, ik maar vijftien want niet gek.

Mijn fietsmaat van nog geen kwartier oud moest vol in de remmen en dan weet je wat er gebeurt met een mountainbike met schijfremmen op asfalt: los over de kop. De auto sloeg ook alle remmen dicht en ze misten elkaar van een haar. Hij kwam redelijk mooi neer, rekening houdend met de afwezigheid van een helm, maar wel lichtjes gekanteld op de schouder. Nadat ik hem had opgeraapt zag ik een bekend fenomeen: de pianotoets of de claviculaire luxatie. Enfin: hij had het aan zijn sleutelbeen en dat vervulde hem deels met trots, maar ook deels met schrik. Ik gaf hem nog mee dat hij best foto's liet maken van het sleutelbeen want dat kon gebroken zijn én van zijn ribbenkast want het één loopt vaak samen met het ander schade op – ik ben ervaringdeskundige, jawel – en hij reed aan tien per uur naar huis.

Ik dacht: zo roekeloos rijden, zonder helm, dat is een wielerterrorist en die moet ik niet. Ze bederven mijn plezier en vooral: ze zorgen ervoor dat iedereen op een koersfiets in een slecht daglicht komt te staan.

Laatst vroeg Annemie van Peeters & Pichal mij of ik een fietsbel had. Ze dacht zeker: dat zal die macho nooit aan zijn Trek Madone hebben hangen, maar jawel, ik heb een fietsbel, mooi verstopt achter mijn zadelpen. Ze doet geen dring, dring, maar ting, ting en even hard. Alleen, ik heb een probleem: de mensen die voor mij rijden, horen mijn ting-ting haast nooit. Zoals ik een hekel heb aan wielerterroristen die elke tragere weggebruiker in de berm rijden, heb ik een even grote hekel aan de cruisers die met twee, drie of zoveel als de weg het toelaat, keuvelend naast elkaar rijden, waardoor het achteropkomend fietsverkeer telkens weer flink moet afremmen en beleefd moet vragen of ze alstublieft een gaatje willen laten. Gemor is steeds ons deel.

Op veel beterschap moeten we niet hopen. De snelle weggebruiker zal zich altijd ergeren aan de trage weggebruiker en omgekeerd. Vorig jaar zag ik nog een hele snelle wandelaar in de bossen rond Brugge een iets trage wandelaar tijdens een wandeltocht van de gezinsbond een duw in de rug geven omdat die niet snel genoeg uit de weg ging.

Maar goed, vandaag zal de organisator van de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen en –terroristen beginnen met een database van wie zich niet aan de regels houdt. Bovendien houdt de politie van ongeveer het hele Vlaamse molshopenland de boekjes in aanslag om de al te assertieve copycats van Tom en Stijn te bekeuren.

Dat copycatgedoe is het probleem. Niks schoner dan de renner achterop horen piepen en kreunen omdat jij net iets te snel kop trekt. In de uitstekende biografie van ex-profrenner en tegenwoordig collega Paul Kimmage beschrijft die hoe hij hangend tussen zijn kader zelfs werd uitgelachen door zijn net iets fittere mederenners. Elke wielertoerist die vandaag de Ronde rijdt, waant zich – soms heel even, soms 260 kilometer – wielrenner en is in het diepst van zijn gedachten de Boonen, Cancellara of Devolder die niks liever wil dan de ellendelingen in zijn wiel total loss rijden.

Terwijl we in het echte leven steeds minder moeten vechten om onze kruimels, is de koersfiets een metafoor geworden om het ons ingebakken Darwinisme te beleven: het recht van de sterkste, survival of the fittest, de velo als een machete op twee wielen.
Paul De Keyser

Thanks, Lance!

Paul De Keyser | 02 april 2010 om 15:01

Lance Armstrong dokkerde gisteren nog eens over de hellingen en de stenen, zondag het decor van de Ronde van Vlaanderen. Het was weer een hele poos geleden. Vijf jaar om precies te zijn, toen de Texaan zich ten dienste stelde van Stijn Devolder, toen zijn teamgenoot bij Discovery. Een horde fotografen koos dus het zog van King Lance, terwijl die een van de mooiste hoekjes van Vlaanderen verkende. Het vertelt eigenlijk al veel van het hele verhaal. Armstrong is geen doordeweeks coureur. Hij is een crack, een stuk levende wielergeschiedenis. Maar zelfs dat ras heeft een minimum aan voorbereiding nodig om zich in alle ernst favoriet te noemen. Dat zal Lance dan ook wel niet doen, tenzij voor 1 april. Hij reed dit jaar al veertien dagen koers, waarvan acht in februari en maart samen. Ondertussen reden Cancellara, Boonen en co zich het pleuris om toch maar op scherp te staan voor de Ronde. Een simpel mirakel zal al niet volstaan om een Armstrong daar tussen te wurmen op het moment van de waarheid.

En toch zeggen we thanks, Lance! Alleen al om er te zijn. Aanvankelijk zou hij alle voorjaarsmonumenten rijden, op Parijs-Roubaix na. Uiteindelijk schiet alleen de Ronde van Vlaanderen over, omdat hij houdt van deze koers en vooral van zijn publiek. Hij houdt van een regio die de wielrennerij nog diep in het hart heeft, ondanks alles. Kan de Ronde zich een mooier compliment dromen? Vlaanderens Mooiste, of hoe zou dat klinken op zijn Texaans?

Bert Heyvaert

Bert Heyvaert | 01 april 2010 om 13:47

Volderke

Hoe zou dat nu eigenlijk gaan in het Quick Step-hotel, als Patrick Lefevere en Stijn Devolder elkaar kruisen in de gang. Kijken ze elkaar aan? Kan er een beleefd knikje af? Of krijgt één van beiden plots telefoon, waardoor hij – saved by the bell – zich kan focussen op zijn gsm?
In elk geval zal het er niet al te hartelijk aan toe gaan. Daarvoor is het water tussen die twee nu echt wel te diep. Vooral na de uitspraken van Lefevere dit weekend tegenover alle mogelijke media: ‘Renners van één dag, ik hoef ze niet meer’, ‘onze ploeg bestaat uit 7 plus 1’, ‘als Devolder de komende weken niet wint, heeft hij een probleem’, en ga zo maar door.
Niet dat het uit de lucht gegrepen is. Lefevere roept nu wat door sommigen al een hele tijd gefluisterd wordt, zowel in als buiten het peloton. Maar toch blijft het straf. Vooral de timing is opvallend. Nú, op het meest stressvolle moment van het jaar, voert Lefevere de druk nog wat op. Waarom doet hij dat? En vooral: wat wil hij ermee bereiken?
Volderke prikkelen, zou je kunnen denken. Hem krenken in zijn West-Vlaamse trots, zodat hij zondag op pure woede 5 km/u sneller rijdt en iedereen al achterlaat op de Koppenberg. Dat geloof ik niet. Want als Devolder zijn derde Ronde op rij wint, heeft Lefevere er niks aan. Dan kan hij niet oprecht staan juichen na al wat er gezegd is. Dan is het een individuele zege, niet ééntje voor de ploeg.
Nog een mogelijkheid: Lefevere wil de druk opvoeren richting contractbesprekingen verder dit seizoen. ‘Een renner die rekent op die ene topprestatie, en voor de rest een wit blad aflevert, neemt een enorm risico’, zegt hij. Dat is juist, maar waarom zegt hij dat in de pers? En waarom zegt hij dat vóór het moment dat die topprestatie geleverd moet worden? Ook geen optie dus.
De gepeperde uitspraken lijken mij vooral een noodkreet. Lefevere heeft de voorbije weken gezien dat zijn ploeg bijlange niet de beste is van het hele pak. De kopman, Tom Boonen, steekt in supervorm. Maar in een gecompliceerde wedstrijd als de Ronde is dat zelden voldoende. Daar zijn ploegmaats diep in de finale als een stel extra benen. Stijn Devolder zou die rol perfect kunnen vervullen – mede daarom werd hij aangetrokken door Quick Step. Maar Volderke wil zo graag zelf winnen. Hij heeft vooreerst zijn eigen plannetje in het hoofd, en daar kan niemand iets aan veranderen. Dat stoort de teammanager in Lefevere. ‘Stijn heeft de voorbije twee jaar de Ronde gewonnen omdat hij bij Quick Step reed’, zei hij zondag nog. ‘Maar als ik hem dat zeg, beweert hij het tegenovergestelde. Ik won omdat ik de sterkste was, klinkt het dan. En ik zeg van niet, en hij zegt van wel, en ik zeg van niet, en zo gaat dat maar door.’
Combineer dat alles met een gezonde dosis commercieel verstand – Lefevere weet ook dat een zege van Boonen een pak meer internationale uitstraling geeft – en een onvermijdelijke dosis West-Vlaamse koppigheid – als er iets op zijn lever ligt, zegt hij het gewoon. En dan krijg je een relletje zoals dit weekend. Benieuwd wat dat zondag oplevert.