Guido Ostyn

Onderscheiding voor de bekerfinalisten, herkansing voor de organisatoren

Guido Ostyn | 23 februari 2009 om 18:01

De neutrale sportliefhebber voor het volleybal proberen te winnen. Dat deden Maaseik, Averbode, Gent en Kieldrecht zondag in de Antwerpse Lotto Arena tijdens de finales van de beker van België. De vier ploegen boden spektakel en spanning. Ze hadden zich duidelijk aangepast aan hun tijdelijke omgeving. Zowel de Lotto Arena als het er net naastliggend Sportpaleis bieden immers geregeld aantrekkelijke affiches waar duizenden op afkomen.

De volleybalfinales lokten in totaal vijfduizend liefhebbers. Bijna allemaal brave - soms wel luidruchtige - mensen die de hulp van de organisatoren niet nodig hadden om volop te kunnen genieten van wat ze voorgeschoteld kregen. Ze kenden immers hun pappenheimers en konden het zonder lijsten met de namen van de spelers en speelsters stellen. De minder trouwe kijkers moesten het zelf zien op te lossen. Of om raad vragen. Die nummer vijf, Van De Water, wat kan die? Auto's verkopen in Kasterlee. De vermelding van een sponsornaam net onder het rugnummer zorgde duidelijk voor verwarring. Een eenvoudig A4-tje vanwege de organisatoren met daarop de nummers en namen van de spelers en speelsters zou een handig hulpmiddel geweest zijn. Het zou het minimum geweest zijn ook van wat men kan doen voor wie 13 of 18 euro voor een ticket had neergeteld.

Meer dan één toeschouwer keek daarom wat jaloers naar de perstafels, want daar werden wel lijsten uitgedeeld. Voor de vrouwenfinale moesten de journalisten het met een kopie van een met de hand geschreven lijst doen. Voor de mannenfinale was de luxe iets groter: daar werd per drie journalisten een authentiek met de hand geschreven exemplaar met zwarte tape op de perstafels gekleefd. Het kostbare kleinood - in de hele Lotto Arena waren vijf stuks te bewonderen - was net niet indrukwekkend genoeg om gesigneerd door de auteur per opbod verkocht te worden voor een goed doel.

Trouwens, die perstafels - of beter de stoelen - hadden ook zo hun gebreken. Ze stonden op verhoogjes die tegen elkaar waren geschoven. Althans de naar buiten staande pootjes van die verhoogjes. Wat zorgde voor een gleuf van vijf centimeter tussen twee verhoogjes en het vervolg raadt u al: enkele collega's maakten slagzij toen een stoelpoot in zo'n gleuf terechtkwam.

Hoort bij het spektakel zegt u. Misschien wel. Maar is een persruimte zonder telefoon dat ook? Waarom niet? Een kleine twintig jaar geleden zorgde zoiets al voor, laat ons zeggen, toestanden. Daarbij denken we terug aan een beslissende wedstrijd in de finale van de play-offs in Lennik. Telefoon in de zaal? Neen. Wel een aansluiting onder de tapkast. En, om files daar te vermijden, kwam het erop aan om creatief te zijn: zoals voor de wedstrijd afspraken maken met de overbuur om na het laatste punt bij hem zijn aansluiting te mogen gebruiken, ook al moest daarvoor een houten wand worden losgeschroefd. Die overbuur had respect voor de pers. In Antwerpen leek die pers zondag eerder een noodzakelijk randverschijnsel bij twee finales met tussenin een vip-diner. De moderne technieken hielpen ons echter uit de nood. De ingebouwde modem van de laptop omzeilde alle hindernissen en bracht de teksten tijdig op de redactie. Ze moesten niet eerst met de hand geschreven worden...

Ook dit nog. De laatkomers bij de pers - en zo zijn er altijd - vonden geen plaatsje meer binnen de voorziene persruimte. Zij vonden een oplossing aan een tafeltje in de hoek. Net naast de dansgroep die tijdens de time outs en tussen de sets het spektakel verzorgde.

Conclusie: de vier ploegen krijgen grote onderscheiding voor hun finales, de organisatoren worden naar de herkansingen verwezen.

 Trouwe fans ook, want hulp om de spelers en speelsters blijkbaar .    

Guido Ostyn

Hoogmoed, jaloezie en geld

Guido Ostyn | 19 februari 2009 om 12:28
De Europese avonturen van de Belgische volleybalploegen zitten erop voor dit seizoen. Maaseik en Roeselare namen woensdagavond afscheid van de Champions League, de belangrijkste Europese beker. Een plaats bij de beste acht zat er voor hen niet in.

In het voetbal en het basketbal droomt men al jaren van zo’n prestatie en dat verleidde de commercieel manager van Roeselare vorige week tot een uitspraak – moest men in andere sporten op dezelfde manier werken, dan zou men ook daar knappe resultaten boeken – die nu als een soort boomerang kan terugkeren. Hoogmoed komt voor de val is een gezegde dat men zowel in West-Vlaanderen als Limburg kent.

Maar is zo’n uitspraak hoogmoed als men tien jaar op rij met een regelmaat van een klok de Europese top zestien, de top twaalf of de top zes haalt? Of is het een vorm van jaloezie op de aandacht die voetbalploegen krijgen op de vooravond van hun eerste van mogelijk drie voorronden die ze moeten doorworstelen om zich dan misschien te plaatsen voor de eerste ronde van een Europese beker. Of is het een ongelukkige verwoording van de sportieve ambitie die de toppers Maaseik en Roeselare koesteren?

Beide teams komen er steeds ronduit voor uit dat ze het maximale willen bereiken. Om die ambitie te uiten hebben ze slechts één woord nodig: winnen. Dat dit niet altijd kan spreekt voor zich. Er spelen sportieve factoren mee, maar ook extra-sportieve. In die laatste categorie is er één die bijna alles bepaalt: het budget.

Ook dat weten Roeselare en Maaseik als ze zich op het internationale toneel begeven. Zeven van de acht overgebleven ploegen in de Champions League komen uit landen waar de clubs met budgetten werken die het veelvoudige zijn van de 2 of 2,2 miljoen euro van onze toppers: Rusland (2), Polen (2), Italië (2) en Griekenland (1) zijn die landen. Het Duitse Friedrichshafen, te sterk voor Roeselare, is de nummer acht. Dat team kan terugvallen op sterke sponsors wat twee jaar geleden leidde naar eindwinst in de Champions League.

Deze internationale situatie vertalen naar de situatie in eigen land, daar hebben Maaseik en Roeselare het echter soms moeilijk mee. Ze domineren – logisch gelet op de inspanningen die ze doen – al jaren de nationale competitie. Die dominantie heeft echter nadelen: voor de (grote) niet-volleybalwereld is de competitie te voorspelbaar en de top twee eigent zich soms het recht toe om te bepalen wat mag en niet mag. Af en toe steekt er een ‘concurrent’ de kop op, maar de financiële onderbouw onderbreekt daar om de inspanning een volledig seizoen, laat staan enkele seizoenen, vol te houden. Spijtig, want vers bloed kan het volleybal in België gebruiken.

De andere Belgische clubs en de bond moeten echter Maaseik en Roeselare dankbaar zijn. Zonder die twee ploegen zou het volleybal het met (nog) heel wat minder aandacht moeten stellen. En verhuizen naar het handbalhoekje, waar men op zijn beurt jaloers is op de aandacht voor het volleybal.