Het Nieuwsblad Online

Vals gespeeld

Het Nieuwsblad Online | 18 augustus 2010 om 05:06

Riccardo Riccò kreeg gisteren een telefoontje, naar het schijnt. Van de producers van Mooi en Meedogenloos, die vroegen of ze zijn transfersoap mochten gebruiken in de volgende reeks. Vooral die plot was goed gevonden: eerst roepen dat hij met de ene ploeg zou trouwen, om achter de rug de hand te vragen aan een ander. Geniaal.

Riccò zou dan wel de rol moeten spelen van de slechterik. Want als er deze week één ding duidelijk werd, dan is het wel dat hij nog geen haar veranderd is. Met zijn leugen van vrijdag zette hij enerzijds Lefevere onder druk, en noopte hij anderzijds Vacansoleil - de meest biedende - om het onderste uit de kan te halen. Slim gespeeld. Maar ook vals gespeeld, zoals hij vroeger al eens deed.

In de buik van Quick Step klonk gisteren veelal hetzelfde geluid: Oef, hij komt niet. Was dat wel het geval geweest, dan had Riccò ongetwijfeld voor onrust gezorgd in de blauwe familie. En dat kan zelfs een Godfather missen als de pest. Lefevere zou dus best hetzelfde doen als zijn personeel: opgelucht ademhalen. 

Bert Heyvaert

Paul De Keyser

Slecht nieuws voor Schleck

Paul De Keyser | 04 augustus 2010 om 01:08

Alberto Contador vergist zich niet, als hij zijn overstap naar de troepen van Bjarne Riis als de juiste zet bestempelt. Als de Deen zijn belofte houdt en er in slaagt om zijn ploeg voldoende uit te bouwen voor het grote rondewerk, kan Contador zich nauwelijks een betere omgeving dromen. Vergeet niet wat hij achter de rug heeft. Twee jaar geleden stak hij er met kop en schouders bovenuit in de Tour, maar kreeg hij de gepokte mazelen van Armstrong. In de jongste editie had hij niet te klagen over de eendracht binnen zijn ploeg, maar stond hij zelf op wankele benen. De Spanjaard kan verse lucht best gebruiken om volgende zomer op te boksen tegen Andy Schleck.

Bij zijn nieuwe formatie hoeft Contador zich nergens zorgen over te maken. Riis staat voor stipte organisatie, voor een tot in de puntjes verzorgde begeleiding. De jongste weken deden in het peloton weer geruchten de ronde omtrent wanbetalingen bij Astana, sowieso potentiële speelbal van onberekenbare Kazachse politici en zakenlui. Vorig jaar reden de renners er een tijd zonder shirtreklame, om te protesteren tegen het uitblijven van hun loon. Toestanden die Contador bij Saxo Bank-SunGard niet zal ontmoeten. Een jaartje zonder extrasportieve beslommeringen zullen van hem opnieuw de onweerstaanbare klimmer en de betere tijdrijder maken die hij twee jaar geleden was. Het is geen goed nieuws voor Andy Schleck.

Bert Heyvaert

Het kan, wat niet betekent dat het zo is

Bert Heyvaert | 01 juni 2010 om 09:50
Het klinkt zo goed, dit verhaal. Het past zo mooi in elkaar. Die fietswissels, die handbewegingen, die versnellingen uit het zadel, die fenomenale verschillen op korte tijd,... Een brommer, zei iedereen achteraf. En kijk: nu komt het uit.

De Gruber Assist is het laatste stukje dat plots de hele puzzel onthult. Alleen: die puzzel ligt nergens op. Hij zweeft, in de hoofden van de mensen. En als je hem zelf niet in de lucht houdt, valt hij op de grond. In stukken. Want er is geen enkel argument dat het verhaal-Cancellara fundeert. Er is geen enkel concreet bewijs dat ook maar suggereert dat de Zwitser met een extra motortje reed. Integendeel: er is de wetenschap dat Spartacus sowieso een grote motor heeft. En tot zulke straffe prestaties in staat is.

Het stukje van de Gruber Assist past echter nog op een andere puzzel. Eéntje die even verderop ligt, en wel op een tafel ligt. Tot nu toe lag hij volledig in de schaduw, maar door de spotlights op de Cancellara-zweefpuzzel wordt hij plots ook merkbaar. Hij bevat een reglement van de UCI, opgesteld in 2003. Met daarin de vermelding dat 'elke elektronische hulp bij de pedalage ten strengste verboden is'.

Best opvallend vinden wij. Dat - en niet de geruchten rond Cancellara - is ook de reden waarom we er in deze krant zoveel aandacht aan besteden. Het reglement bewijst dat 'technologische doping' in de wielersport tot de mogelijkheden behoort. Men verwachtte het zelfs naar aanleiding van de Spelen in 2012. En ook een gerenommeerde mecanicien als Jean-Marc Vandenberghe wuift de Gruber Assist niet zomaar weg. 'Het kan', zegt hij. Wat natuurlijk niet betekent dat het zo is.

Moeten we het verhaal-Cancellara dan geloven? Neen. Voorlopig is het een pure roddel, en roddels zijn enkel waar als je ze wil geloven. Maar dit alles zorgt er wel voor dat de UCI in de Tour allicht de zadelbuizen controleert. En dat is op zich al opvallend genoeg.
Paul De Keyser

Deemoedige Basso

Paul De Keyser | 31 mei 2010 om 11:44
Na Alexander Vinokourov, triomfator in Luik-Bastenaken-Luik, is nu ook Ivan Basso opnieuw een kampioen geworden. Vier jaar nadat hij voor het eerst de Giro won, toen met negen minuten voorsprong op de nummer twee, heeft hij dat opnieuw gedaan. Wie bereid is om de spons te vegen over het verleden, kijkt met plezier terug op drie boeiende koersweken. Op basis daarvan heeft Basso niks van zijn triomf gestolen. Hij was beter dan de anderen. Niet meer zoveel beter als die eerste keer, toen hij ook drie ritten won, maar toch de beste, met de hulp van een dominante formatie.

Het zwarte schaap heeft op die manier afgerekend met een minder fraaie episode uit zijn carrière. Al snel na die Girowinst van 2006 raakte zijn naam immers verstrengeld met de Operación Puerto. In eerste instantie vond de antidopingcommissie van het Italiaans Olympisch Comité (Coni) geen bewijs en werd Basso vrijgesproken. Het jaar daarop, toen al in dienst bij Discovery Channel en Johan Bruyneel, moest de Italiaan toch voor de bijl en bekende hij dat hij één en ander opzij had gelegd om te gebruiken in de aanloop naar de Tour. Er was alleen maar de intentie om zich te doperen, vertelde hij. Het kwaad was nog niet geschied. Zei hij.

Hoe ook, Basso stelde zich bij zijn terugkeer zeer deemoedig en berouwvol op. Hij had niks van de arrogantie die bijvoorbeeld Vinokourov nog steeds tentoon blijft spreiden. Basso begrijpt de kritiek en de twijfels van een deel van het wielerpubliek en aanvaardt die ook. Echter niet zonder te benadrukken dat zijn supporters niet bang meer moeten zijn en dat ze hem nu hun volle vertrouwen mogen schenken. Het zou inderdaad mooi zijn mocht er deze keer niet meer gerommeld worden met het eindpodium van de Giro.
Hans Vandeweghe

Patpong Road

Hans Vandeweghe | 29 mei 2010 om 20:32
Laatst blogde Sabine, de vrouw van Scott Sunderland iets in de strekking van 'vroeger werden wielrenners beschouwd als niet te slim, maar er is niemand die dat nu nog zou durven zeggen.' Zoiets.

Ah neen? Volgens mij zijn de wielrenners van vandaag – en zeker zij die in de Giro meerijden – nog dommer dan die van vroeger. Wie goed bij zijn zinnen is, laat zich deze Giro niet aanpraten. Niet door zijn baas en niet door de organisatoren, waarbij je je de vraag kan stellen of organisatoren en ploegbazen niet onder één hoedje spelen en zich stiekem samen verkneukelen om wat ze die dommekloten van coureurs nu weer hebben laten doen.

Het begon met die start in Amsterdam. De Tour heeft niks in Rotterdam te zoeken straks, maar de Giro in Amsterdam is echt helemaal de weg kwijt. In Nederland liggen meer vluchtheuvels, verkeersdrempels, asverschuivingen dan er mensen wonen. De renners vielen dus bij bosjes en op dat ene stuk van vijf kilometer zonder al die troep, vielen ze ook. Pavlov op de fiets. Dom, dommer, domst.

Vervolgens vloog er een stofje door het luchtruim dat misschien wel eens van IJsland kon komen en de Schouppes van deze wereld dreigden weer met een slot op het heelal. De organisatoren vonden er toen niet beter op dan nachttreinen klaar te houden voor het geval er niet kon gevlogen worden. Ik hoorde geen renner protesteren en de ploegbazen al helemaal niet. (Gelukkig bleef het luchtruim open.)
Daarna heb ik een paar dagen gemist, maar de volgende keer dat ik keek, reden Nys, Wellens, Stybar en Albert mee. Althans daar leek het op. Het waren gewoon Basso, Evans en Vinokourov en nog wat slimme renners die zich hadden laten aanpraten dat ze een etappe over strade bianchi moesten rijden. Regen is in het voorjaar in Toscane niet vreemd en wat deed het die dag? Het goot. Gevolg: de renners zaten onder de modder, de kiezels zaten tot in hun buizen van Eustachius en de mecaniciens moesten overuren kloppen om de zaak op orde te krijgen.

Tot overmaat van ramp reden ze een dag of wat later een etappe door een gigantisch zwembad. Dat was mijn eerste indruk toen ik de tv aanzette, maar het bleek een vreselijke regenbui te zijn. Daarna had ik even genoeg van die stomme Giro tot ik in deze krant las dat er een Spanjaard zoveel minuten had gepakt door een rare vlucht en dat hij eigenlijk nog moeilijk uit het roze kon worden gereden. Dat spannende deed het hem toch en ik keek weer.

Het was mooi weer geworden, maar nu dacht ik dat mijn tv kapot was of dat de cameraman was gevallen. De renners gingen traag – zo traag als ik op een normale col – alsof ze tegen een wand opreden. Maar neen, dat was de gevreesde Zoncolan.

Met mountainbikeverzetjes sleurden ze zich naar boven en ik moet toegeven dat het een apart spektakel was, maar dat dacht ik ook toen ik ooit op Patpong Road in Bangkok vrouwen pingpongballen zag wegschieten vanuit lichaamsopeningen die daar niet voor dienen. In tweede instantie vond ik dat toen walgelijk en dat had ik met die Zoncolan ook.

De dag na de Zoncolan kregen ze ook nog eens een klimtijdrit voor de kiezen, weer zo steil en weer een stuk over onverhard. Gisteren ging het over vier cols, met als derde de gevreesde Mortirolo. Vandaag moeten ze weer vier zware cols beklimmen met na 50 kilometer al de eerste – wie op zijn tandvlees zit, moet meteen aan de rekker - en als voorlaatste de loodzware en zeer hoge (2.618 meter) Gavia. Misschien door de sneeuw. Na de modder en de regen kan dat er ook nog bij.

Wielrenners kunnen wel wat hebben, maar de Giro is er over. Hoe moet je in godsnaam de renners van doping afhouden als je ze drie weken over klotewegen en door kloteweer jaagt, met klote-aankomsten en één keer op de twee klote-hotels. Gisteren en vandaag samen elfduizend hoogtemeters, is er dan niemand die een redelijke grens trekt?

Het is te hopen dat steeds meer toprenners voor de Ronde van Californië kiezen en de Giro links laten liggen. Op die fameuze strade bianchi hebben ze al een retrorit, de Eroica. Iedereen op oude fietsen in een antieke fietskledij. Kunnen ze daar bij de Giro geen voorbeeld aan nemen, drie weken lang bijvoorbeeld, met alleen Italianen en een verdwaalde Spanjaard en allemaal aan de bloedzakjes?
In plaats van een tijdrit op de laatste dag trekt het circus dan voor een gevecht in berenvellen met bijlen en knotsen naar het Colosseum van Rome.
Hans Vandeweghe

Zondagskinderen

Hans Vandeweghe | 30 januari 2010 om 20:00
Journalisten mogen niet objectief zijn (niet schieten, dat leg ik ooit wel eens uit in een boek), maar ze kúnnen vooral niet objectief zijn. Er is altijd een verwachtingspatroon dat de blik kleurt.

Twee voorbeelden. Met Vandereycken wist je: geen feest, moeilijke namiddag, maar als we bij de les zijn, horen we de essentie tussen de regels. Bij Boonen weet je: een half uur is genoeg, niks tussen de lijnen als hij maar het hart op de tong heeft. Vragen, tapen, uittikken en scoren.

Bij Albert vreesde ik: grote motor, maar een nog grotere blaaskaak en over zijn manager - een mens belt wel eens rond ter voorbereiding van zo'n gesprek - had ik wat gehoord. Niks gruwelijks, niks dat zijn positie niet rechtvaardigt, kleine dingetjes, vervelende informatie waaruit je zou kunnen concluderen: een naar manneke, een parasiet, had zelfs iemand gezegd.

Journalisten kunnen niet objectief zijn, maar ze moeten er wel voor waken om supporter te worden. Daar had ik het al moeilijk mee in het geval van de alleraardigste voorbeeldsportman Sven Nys, altijd voorkomend, altijd bereid tot samenwerken en zichzelf opnieuw uit te vinden.

Na twee bezoeken aan de twee-eenheid Albert-Roodhooft heb ik hetzelfde. Dit is het hart op de tong zoals Boonen, de medewerkzaamheid van Nys en het ontwapende van de jonge kampioen gecombineerd. Natuurlijk hebben ze niet het achterste van die tong laten zien. Natuurlijk bespelen ze hun gesprekspartner. Dat doen ze allemaal, maar de authenticiteit van dat stel is niet gespeeld.

De relatie Albert-Roodhooft valt niet te vatten in één begrip. Ik zie ook geen voorbeelden. Misschien dat Van de Walle en (wijlen) Ten Haaf nog het dichtst in de buurt komen, maar dat is al dertig jaar geleden. Merckx-Van Buggenhout, nog langer geleden, was meer zakelijk. Van den Eynde-Van Damme heb ik nooit meegemaakt, maar waren zij ook broers?

Driessens-Maertens, zonder aan heiligschennis te doen, leek een beetje op parasitisme. Gaastra-Deburghgraeve was een tijdelijke vennootschap, soms heel intens, soms alleen per fax. Pevenage-Ullrich, was dat niet eerder wederzijdse bijstandsverlening? Vandecaveye-Vinckier komt in de buurt: baas en onderbaas en nu vrienden, niet voor even maar voor het leven.

Ik heb Albert-Roodhooft nu twee keer een paar uur samen gezien en zonder te snel conclusies te trekken: de band tussen Christoph Roodhooft en zijn kopman Niels Albert moet uniek zijn voor de Belgische sport. Er is nog iets wat ze bijzonder maakt. Als Niels Albert niet meer kan koersen, kunnen ze samen zo in de jury van de Slimste Mens. Het is stand-upcomedy, hoe die twee met elkaar omgaan.

Albert heeft 'metaal' gevolgd terwijl hij schrijnwerker had willen worden, maar dat houtstof met dat koersen was geen optie. Er is een tijd geweest dat ik daar een etiket had op geplakt. Ook op Roodhooft, ooit een derderangsprof waar ik nooit had van gehoord, die nu via sublimatie en projectie zijn eigen gemiste carrière in zijn pupil herbeleeft, maar het tot eer strekt dat hij niks wil verdienen op de kap van zijn renner en vriend.

Ik heb twee intelligente mannen ontmoet, die weten waar ze mee bezig zijn, die zich door niks of niemand laten opjagen en die een spel spelen zoals zij denken dat het moet worden gespeeld. Niels Albert luistert naar Christoph Roodhooft, die dan weer niet de slaaf wil zijn van zijn atleet, zijn ster, zijn broer, zijn zoon, zijn beste maat. 'Hij mag alles zeggen tegen mij,' zegt Albert, 'en ik tegen hem. Soms gaat het hard en zijn we een uurtje stil maar daarna is alles vergeten.'

Albert is jong, maar al zo gelouterd, niet alleen door de supporters die hem van zijn fiets trekken of hem pinten in zijn gezicht gooien. Hij heeft het niet altijd makkelijk gehad thuis maar vond rust bij zijn manager, zijn trainer-coach, zijn broer en surrogaatvader.

In alles zijn Niels Albert en Christoph Roodhooft zondagskinderen. Samen maken ze plezier terwijl ze hun weg afleggen waarvan voorlopig het einde niet in zicht is. De journalist wordt ongevraagd ingewijd in de koers van de wilde jaren negentig, in hun (trainings)geheimen vandaag en evengoed gevraagd niet alles te schrijven, maar nooit: mail het even om na te lezen. Gezegd is gezegd. Botst het niet, dan klinkt het. Ontmoetingen van dat slag zijn van de betere momenten in dit vak.
Hugo Coorevits

Dit kan de dood betekenen van het veldrijden

Hugo Coorevits | 11 januari 2010 om 11:24
Met het incident-Niels Albert zijn de grenzen gisteren in Oostmalle heel zwaar overschreden. Dit heeft niets met sport te maken, maar is ronduit crimineel gedrag van de lapzwans die de wereldkampioen van de fiets sleurde.

Sport leeft van meeslepende duels, over alle disciplines heen. Zo was het al meer dan een halve eeuw geleden in Italië tussen Fausto Coppi en Gino Bartali. Zo was het tussen Eddy Merckx en Roger De Vlaeminck. Of in het wereldje van veldrijden tussen Erik De Vlaeminck en Berten Van Damme.

Zo is het tussen Sven Nys en Niels Albert. Het 'parochianenduel' splitst niet enkel Groot-Tremelo in twee kampen, maar ook heel Vlaanderen. Daar is niets mis mee. Het maakt mee de heroïek van het veldrijden uit. Het doet cyclocross in Vlaanderen groeien als een bloemkool. Het is menselijk dat de ene zich meer herkent in de ideale schoonzoon Sven Nys, en de andere eerder kiest voor de jonge, eerder rebelse god Niels Albert. Twee verschillende stijlen.

Hoe meeslepender de duels, hoe hoger de emoties oplaaien, maar daar moet het ook bij stoppen. Het wordt compleet fout als favoritisme, fanatisme wordt. Als een veldrijder zijn kansen niet sportief kan verdedigen. Dan houdt de sport op. Misschien moet de wielerbond in navolging van de voetbalcollega's maar hooliganlijsten aanleggen, van zij die niet op een cyclocrosswei thuishoren.

Het zou zonde zijn dat een talent als Niels Albert door enkele zatte heethoofden gedegouteerd een sport verlaat die nu al kampt met een chronisch gebrek aan vedetten. Hét grote probleem is dat een aantal diehards veldrijden bekijken als een alternatieve vorm van op café hangen en dan straalbezopen tussendoor een uurtje naar de renners staan te staren. En dan dingen doen die nooit door de beugel kunnen.

Albert, Nys noch het veldrijden is gebaat met dit soort individuen. Integendeel. Het kan de dood betekenen van een wielertak waarbij bereikbaarheid het handelsmerk is.
Bert Heyvaert

Geen enkele topsporter verdient dit

Bert Heyvaert | 13 november 2009 om 13:27
Wie iets van sport kent, weet dat Albert woensdag niks verkeerd deed. De wereldkampioen reed op kop en dan mag je altijd je eigen baan kiezen. Wie voorbij wil steken, moet maar zien dat daar genoeg plaats voor is. Dat is zo in de Formule 1, dat is zo in de motorcross, dat is zo in het veldrijden. Het is gewoon een wet.

Wie iets van sport kent, weet ook dat de prestaties van Albert dit seizoen verbluffend zijn. Twaalf crossen reed hij. Negen keer werd hij eerste, drie keer tweede. Oké, er zijn heden ten dage slechts twee tegenstanders, maar die heten wel Sven Nys en Zdenek Stybar. Twee sterke atleten, zonder discussie. Als je hen driekwart van de wedstrijden kan verslaan, verdien je respect. Geen boegeroep.

Wie iets van sport kent, weet ook dat topsport een Spartaans regime vereist. Slapen-eten-trainen, slapen-eten-trainen, slapen-eten-trainen. Minstens 300 dagen per jaar. Crossers werken een hele zomer lang aan hun basisconditie. Resultaten zijn niet van belang, enkel de cijfertjes op de hartslagmeter. Het vergt karakter en passie om dat vol te houden.

Geen enkele crosser - geen enkele topsporter tout court - verdient het dan ook om uitgejouwd te worden als hij niks fout deed. Of je hem nu arrogant vindt of niet.

Ach, zeggen dan diegenen die niks van sport kennen, zulke zaken horen nu eenmaal bij de cross. Wie duizenden euro's schept met een uurtje modderploeteren, moet maar een olifantenhuid kweken. Dat is gezever. Het hoeft helemaal niet om iemand uit te schelden terwijl hij entertainment levert. Dat is niet nodig, dat brengt niks bij aan de sport. Integendeel.
Hans Vandeweghe

Madonna del Ghisallo

Hans Vandeweghe | 17 oktober 2009 om 16:45
Het zal ergens in 2007 geweest zijn dat ik het helemaal had gehad met de genaamde Frank Vandenbroucke, die ik zag als uitgemolken circusclown op twee wielen, maar dan bereikte mij het nieuws dat zijn boek zou verschijnen. Ik sprong er bovenop toen in april 2008 Steven Borgerhoff van de gelijknamige uitgeverij regelde dat ik eerst aan de beurt zou komen op een lange interviewdag. Eerder die week had ik het boek op computerscherm verslonden. Ik had – heb nog steeds - de pdf-versie met de zwartgemaakte, gecensureerde tekst. Alles rond cocaïne was eruit gehaald, om te vermijden dat hij zichzelf juridisch klem zou rijden. Dat waren details. Iedereen wist wat er aan de hand was: zelfdestructie tot de tiende macht.

Ik kende Frank Vandenbroucke niet echt. We hadden elkaar een paar keer ontmoet, maar tot dan was hij vooral een dikke map in mijn archief. Hij zat toen aan twaalf of dertien etappes in zijn dopingzaak en het zouden er veertien worden. De laatste keer is gepleit in mei van dit jaar.

Vreemd genoeg wist hij meer van mij als journalist dan ik van hem als wielrenner. Hij reconstrueerde haarfijn hoe ik hem ooit aan de schandpaal had genageld met de gedetailleerde (gelekte) lijst van doping die bij hem was gevonden. Op het moment zelf was het niet leuk om te lezen, zei hij, maar er stond niks in wat niet klopte en ik deed ook maar mijn werk.

Het werd een heerlijk eerlijk gesprek en de helft van de tijd ben ik met de tranen in de ogen naar mijn vragenlijstje blijven kijken. Hìj keek mij wel aan en terwijl hij helemaal leegliep, vroegen zijn diepliggende ogen om bevestiging. Of ik niet vond dat het beter ging, met hem? Je knikte ja, maar je wist beter. Moeilijk te geloven – toen al - dat met de verschijning van één biecht alle ellende achter de rug was.

We spraken over zijn ontmoetingen met collega-verslaafde Marco Pantani. 'Je moet me helpen, had die hem gesmeekt' en Frank had geantwoord: 'Ik kan mezelf niet eens helpen, hoe kan ik jou dan helpen?'

Helemaal aan het eind van zijn boek zegt hij: 'Uiteindelijk lag de schuld bij mij: ik was gewoon niet sterk genoeg. Als ik de renners met dit boek kan doen nadenken over ons beroep, over hun leven, over het leven, dan heb ik een deel van mijn schuld afbetaald.'

Ik heb een regel dat ik nooit handtekeningen aan sporters vraag, maar bij het afscheid tekende hij zijn boek en ongevraagd stond er ineens Pour toi, Hans. Hij bedankte mij dat ik was gekomen. Ik zei: 'Zorg nu een beetje voor jezelf, man.' Hij glimlachte op zijn VDB's: 'Ek ha da doen. Ek beloof da.' Aan het eind van die emotionele dag besloot ik een column met... 'Je eerste 33 jaar waren spannend, VDB, maar het is mooi geweest met die spanning. Het beste nieuws is: je bent er nog. Rust en vrede nu voor jou en je vrienden...'

Neen dus.

Nadien zagen we elkaar alleen nog in het passeren en ik beken dat ik met vragen zat toen ik op het WK hoorde dat Frank Vandenbroucke vaste columnist zou zijn bij deze krant. Tot zijn eerste commentaar verscheen. Dat was geen columnist, maar een analist en nog een verdomd goeie ook.

Tijdens diezelfde trip naar Mendrisio nam ik een halve snipperdag en ben per fiets van Como langs het meer naar Bellagio gereden om dan de laatste vijftig kilometer van de Ronde van Lombardije te rijden. Vanuit Bellagio begint de klim van de Madonna del Ghisallo waar boven een kerkje staat, gewijd aan de patrones van de wielrenners.

Het viel op dat de pastoor van de Santuario geen boodschap had aan moreel verval, of misschien makkelijk zonden vergeeft, want het kerkje hing vol met shirts, fietsen en memorabilia van dopeurs. Ik zocht spontaan een plekje voor een shirt en een foto van Frank Vandenbroucke want als er voor één Belgische renner in de Madonna een kaarsje mocht worden gebrand, dan voor het ontspoorde wonderkind uit Ploegsteert, was de achterliggende redenering.

Vandaag wordt de Ronde van Lombardije gereden en passeert de karavaan langs de Madonna del Ghisallo. Jammer dat daar de koers meestal ontploft, anders was het een mooi moment geweest voor het peloton om haar meest recente slachtoffer te herdenken.

Een hommage is niet nodig, een ingetogen groet is gepaster, maar Frank Vandenbroucke zal het moeten stellen met het applaus van de fietskermis van Putte-Kapellen dinsdag, de beledigingen van Tourbaas Prud'homme woensdag en de hommage vanavond in De Flandrien.

Volgende week, op 21 oktober, zou in zijn dopingzaak van 2002 het veertiende en wellicht definitieve vonnis vallen. Dat is inmiddels achterhaald. De strafvordering is uitgedoofd, zoals dat heet.

De beschuldigde ook.
Hugo Coorevits

Frank verloor het gevecht van VDB

Hugo Coorevits | 14 oktober 2009 om 15:25
'Als ik terugkom van Senegal gaan we dan eens samenzitten om een boek te schrijven over hoe ik de koers zie. VDB's visie over het wielrennen. Ik denk dat ik daarover iets zinnigs te vertellen heb.' Hij zei het op zijn VDB's. Zoals hij zijn zeges aankondigde. Het boek komt er nooit. VDB heeft deze en andere geheimen meegenomen in zijn graf. Het was géén mistroostige Vandenbroucke die zondagmiddag het vliegtuig nam naar Midden-Afrika om er eenzaam te sterven. Neen, het was een op het eerste gezicht levenslustige VDB, maar was hij wel zo? Het stak hem wel met de dag meer en meer dat niemand hem maar een halve kans gunde op een zoveelste comeback. Hij besefte heel goed hoe zwaar zijn verleden als een molensteen om de nek hing. Dat zijn kredietlijn op was. Hij wist dat hij een aantal mensen destijds had ontgoocheld. Maar hij had hoop. Hoe klein die ook was, hoe kleiner die met de dag werd.

Af en toe zei hij wel: 'Het wordt moeilijk.' Hij weigerde dieper op het thema in te gaan. Enerzijds omdat hij vrede had genomen met dat verleden waarvan hij zelf wel wist dat het bij momenten niet fraai was, maar dan voegde hij er telkens aan toe: 'Het was mijn lot. Er zijn veel ergere dingen in het leven. Een ouder die een kind verliest, dat is pas erg. Misschien moest ik dit allemaal meemaken om te zijn wie ik nu ben.'

'VDB gaat al een tijdje niet meer stappen', sprak hij in de derde persoon. 'Ik weet wat de mensen erbij verzinnen als ik weer eens een accident heb. Zoals met die vervangwagen in Oosterzele toen ik van mijn fietsmecanicien kwam. Ik was aan het sms'en. Ineens botste ik tegen een hoge stoeprand. In een fractie van een seconde lag ik op mijn dak, de handen voor mijn gelaat. Alle ruiten sprongen gelijktijdig. Ik was bang. Als VDB dat overkomt, is het nieuws, maar het was een ongeval zoals er elk jaar weer in dit land duizend gebeuren. Ik leerde ermee leven.'

James Dean

Frank Vandenbroucke was vooral de gevangene van VDB, het icoon dat goed en kwaad verenigde, de Belgische James Dean van het wielrennen. Hij gaf de jongste tijd de indruk dat hij veel van zijn wilde haren was kwijtgespeeld.

Over de heikele thema's praatte hij slechts met mondjesmaat. Ook dat was Frank Vandenbroucke. Openhartig, lief, behulpzaam, intelligent, maar met een automatisch rem voor de media waarmee hij een haat-liefderelatie had. Hij kickte erop wanneer hij op een positieve manier de kranten haalde. Hij verfoeide ze hartstochtelijk als ze weer eens de zijde van het 'enfant terrible' lieten zien. Want dat kon hij onderhand missen als kiespijn.

Ook ik had een knipperlichtverhouding met VDB. Begin dit jaar nog was hij kwaad omdat ik hem veel te lang niet had opgebeld. 'Je gelooft niet meer in VDB', zei hij. 'Dat doe ik wel, maar je moet me een bewijs leveren dat je weer coureur bent', antwoordde ik hem. 'Dan hoor je weer op de sportpagina's thuis.' Zo hing ik prompt aan de lijn die zaterdag vóór de Ronde van Vlaanderen toen hij de tijdrit won in de Boucles de l'Artois. Vóór Patrick Gretsch, de Duitse belofte die in Mendrisio nog brons pakte. De exuberante levensstijl had aan zijn koerslijf gevreten, maar vijftien kilometer lang deed hij heel even weer denken aan de jongen die in de Scheldeprijs van 1997 als een windhond voor de meute stormde.

De Boucles de l'Artois was zijn publiek niet. De hoogmis van Vlaanderen en de Ardennen daarentegen wel. Koersen was zijn leven. Zijn leven was koers en dat dreigde hij met de dag meer te verliezen. De leegte gaapte, al had hij met zijn columns voor deze krant een surrogaat gevonden dat hem smaakte.

Eerste ontmoeting in de tuin van God

We liepen elkaar een eerste keer tegen het lijf in de zomer van 1991 in Colorado Springs, waar de baanwereldkampioenschappen voor juniores in de Garden of the Gods werden gehouden. We kenden elkaar niet. Vandenbroucke was nog nieuweling, hij deelde de kamer met de zoon van de toenmalige BWB-voorzitter Ernest De Vuyst. Hij was nog geen VDB, maar toen al sprong hij eruit. Elke dag weer struinde hij de kamer binnen en vroeg wat ik verstuurd had naar België. 'Je zal later nog heel veel van mij moeten schrijven', orakelde hij.

Een jaar later in Athene, waar hij als junior WK-brons behaalde, was Bimbo d'Oro geboren. Een Italiaanse journalist van La Gazzetta dello Sport verzon dat koosnaampje toen hij hem bezig zag in Griekenland. De gouden baby werd groot, maar met ontzettend veel vallen en opstaan.

The raise and the fall gebeurde in een en hetzelfde fabuleuze jaar 1999. Ik herinner me nog hoe hij de vrijdag na de verkenning van Luik-Bastenaken-Luik in de auto zat van zijn toenmalige Cofidis-verzorger Freddy Viaene. 'Met deze beentjes zal ik het doen. Op de Rue Saint-Nicolas, huisnummer 256 of zoiets, dáár moeten ze allemaal uit de wielen.' VDB deed wat hij voorspelde. De wielerwereld lag aan zijn voeten. Van dit moment had hij als kind gedroomd. Dezelfde avond barstte er in de Salle VDB van de Hostellerie de la Place in Ploegsteert een volksfeest los. Het zou het enige echte hoogtepunt worden van de onvoltooide symfonie die VDB werd. Zijn schouders waren te frêle.

Nog geen maand later, op 8 mei, belandde VDB van de hemel in de hel toen hij in Amiens voor onderzoek werd meegenomen in de dopingzaak van Bernard 'Docteur Mabuse' Sainz. De Place de la Rabecque liep opnieuw vol met captatiewagens. Een stoet van journalisten streek neer in datzelfde volkscafé. Collega's met het schaamrood op de wangen vroegen of ze elektriciteit konden lenen om God - zoals het gekalkt stond in de Vlaamse Ardennen - te laten branden in de hel. Dit was het nulpunt van een bijzonder tweeslachtige relatie tussen de media en de Vandenbrouckes.

Bidden

Moeder Chantal had geen goed oog in de evolutie van haar enige zoon. Ze nam me apart en vroeg me of ik ergens een kapel wist om ervoor te bidden zodat dat ze de échte Frank Vandenbroucke zou terugkrijgen. 'Desnoods ga ik te voet naar Afrika.' De speling van het lot wil dat ze haar enige zoon maandag precies in het zwarte continent verloor.

Al deed VDB ontelbare pogingen om uit het dal te kruipen. In 2002 leek hij in zijn opzet te slagen toen Patrick Lefevere, samen met Paul De Geyter zijn tweede vader, hem een tweede kans gaf bij Domo-Farm Frites. Ik herinner me de verkenning van de Omloop Het Volk, waar hij als pédaleur de charme weer danste op de pedalen. Hij kwam op een van de hellinkjes naast mijn auto rijden en zei dat ik zaterdag opnieuw de échte VDB zou zien. 'VDB is back'. Ik geloofde het, want overtuigingskracht had hij wel. Tot ik 's avonds vernam dat het gerecht was binnengevallen bij hem thuis in Lebbeke en dat hij voor ondervraging was meegenomen. De échte VDB kwam nooit meer terug, maar wel een schim van de talentboy die jarenlang de headlines haalde met verhalen van seks, drugs en rock 'n roll. Het ene al smeuïger dan het andere. Zijn huwelijk met Sarah werd verbroken. VDB vluchtte van de ene cocaïneroes in de andere. Of hij werd in Italië in het holst van de nacht gesignaleerd op de koersfiets, trainingskleren aan, onderweg naar huis, maar een thuis had hij niet. Dat was de winter van 2007. VDB leefde snel, uitermate snel.

Beetje bij beetje trachtte hij nadien zijn chaotische leven weer op de rails te zetten. Hij streek neer in Steenhuize-Wijnhuize en nam opnieuw contact op met de familie, met zijn toeverlaat Nico Mattan. Zo had hij onlangs zijn intrek genomen in een oud herenhuis in Zottegem. Een grote woning waar hij veel eenzame momenten moet gekend hebben. Bij VDB was het eenvoudig om te weten hoe de barometer was. Belde hij zelf, of nam hij onmiddellijk de gsm op, dan zat het goed. Heel goed. Maar bleef de telefoon onbeantwoord, dan was hij heel diep weggezonken. Weg van alles en iedereen. Bij VDB was niets 'gewoon goed'. Alles was buitengewoon. Conform het ziektebeeld van een manisch depressieve kon zijn stemming van het ene op het andere moment omslaan.

Het was een gelouterde Frank Vandenbroucke met wie we vier dagen lang tijdens de wereldkampioenschappen door Mendrisio trokken. Zo gewoon gewoon. Té gewoon. Elke dag 's morgens hoorde hij zijn moeder Chantal. 'Je weet hoe échte moeders zijn', zei hij met een kwinkslag. 'Als je je goed voelt, voelen ze zich ook goed. Voor een échte moeder doe je nooit voor eeuwig fout. Ze vangt je altijd weer op. Ik ben best wel trots op mijn ouders. Mijn vader Jean-Jacques zorgde ervoor dat ik bij de profs twee jaar vroeger kon oogsten dan wie ook. Dat was zijn verdienste.'

Mendrisio

Hij blonk in zijn vel omdat hij tien jaar na Verona 1999 opnieuw in 'zijn' biotoop was in Mendrisio. Het wielrennen had hem niet uitgespuwd, maar drukte hem tegen de borst. Hij had zelf niet kunnen vermoeden dat het zijn échte adieu was aan de wielerwereld.

Hij herleefde heel even, maar daarom had hij nog geen koersbroek en een fiets voor volgend seizoen. Frank Vandenbroucke als gevangene van VDB. Weer die dualiteit. Een eeuwig gevecht dat hij aan het verliezen was want wie zou hem nog ooit laten dromen op een koersfiets? Er waren de ontgoochelingen die zich beetje bij beetje opstapelden. De UCI aanzag hem als een pestlijder. Ze was hem liever kwijt dan rijk, zeker nadat hij ooit eens als 'Franceso del Ponte' in een dissidente Italiaanse koers aantrad. Toen hij begin augustus brak met Down Under-Cinelli - aan het lijntje gehouden door een mooiprater die hem en zijn toeverlaat Mattan zou betalen - kon hij naar andere continentale ploegen, maar het reglement verhinderde hem dat. Zodat hij ook niet naar het BK tijdrijden kon. Hij wou naar de Franco-Belge als lid van de nationale ploeg, maar in Brussel opteerden ze voor de jeugd. VDB haalde de schouders op. Zoals hij ook geen vragen stelde waarom hij niet mocht deelnemen aan de Gentse zesdaagse. 'Ik weet ook wel wat er in het verleden verkeerd liep.' Het klonk als: stop, ander onderwerp. Meer en meer voelde hij aan dat de tijd in zijn nadeel tikte. Ook al genoot hij met volle teugen van de aandacht die hij vooral in Vlaanderen kreeg bij de Dernycriteriums. 'Alleen Boonen is bij momenten populairder', zei hij met de nodige fierheid.

Tóch was Frank God voor zijn twee dochters Cameron (bijna 11) en Margaux (8). Die zaterdag op de Zwitserse perstribune toonde hij de foto van zijn 'Italiaantje' Margaux die zijn gsm-scherm kleurde. 'Zie je dezelfde blauwe ogen? Cameron en Margaux zijn twee VDB'tjes. Ze hebben hetzelfde karakter als ik. Dezelfde atletische gaven, dezelfde gedrevenheid en rusteloosheid. Margaux was in het lopen de beste op school. Cameron doet het goed in het veldlopen en op de piste. Ik steun haar, maar push haar niet. Ze kocht onlangs van haar spaargeld een fiets in de Decatlon. Clothilde en ik leren haar de juiste waarde van een euro. Ze hoeven van mij geen topsport te doen. Als ze maar gelukkig zijn.'

Rust en geluk, twee gevoelens die hij in zijn veel te korte leven veel te weinig kende. Het gaat je goed. Salut copain.